Wandelconditie en -techniek

Wandelconditie en –techniek.

CONDITIE.

We zullen wandelconditie als volgt definiëren:
Je hebt een goede wandelconditie als je de beoogde wandeling(en) zonder te grote vermoeidheidsverschijnselen Hoe is je wandelconditie? en fysieke problemen kunt uitlopen.
Dat wil zeggen dat je tot het eind van de wandeling voldoende energie hebt om te kunnen blijven genieten.
Denk je al – ruim – voor het eind: “was ik er maar”, dan is je conditie niet toereikend!

Hoe bereik je een goede conditie?
Daar is geen eenduidig antwoord op te geven.
Er zijn mensen die praktisch nooit trainen en zonder noemenswaardige problemen bijvoorbeeld de 4-daagse kunnen lopen.
Daarnaast zijn er mensen die eindeloos trainen en toch zere voeten krijgen, blaren lopen, pijnlijke heupen of knieën krijgen, onderweg instorten etc.

Er zijn wel opmerkingen te maken waar iedereen wat mee kan.
Over het algemeen is je lichaam niet gewend om uren achter elkaar te lopen en daarbij ook nog te moeten klimmen en te dalen. En al helemaal niet meerdere dagen achter elkaar.
Als je meerdere dagen achter elkaar wilt wandelen is het zaak om je lichaam te wennen aan de langdurige belasting, met name je voeten, beenspieren en gewrichten.

Duurbelasting van je lichaam kun je vrij eenvoudig trainen door te gaan wandelen en de duur van je wandelingen op te voeren tot de tijd die je straks in de Eifel ook zult lopen.
Je zou het wandelen kunnen combineren met af en toe een keer hardlopen, omdat hardlopen meer vraagt van je ‘loopapparaat’.

Wat in de praktijk al lastiger is, is om een keer 2 dagen achter elkaar een lange wandeling te maken.
Nog lastiger is het om in Nederland te trainen voor klimmen en dalen, terwijl, met name het dalen, het meest belastend is voor de spieren van de benen (scheenbeen en bovenbeen).

Het zou mooi zijn als je vlak voor je vakantie naar de Eifel een keer 2 dagen kunt trainen, waarvan misschien één in een heuvelachtig gebied. Doe dit niet te ver voor vertrek, anders is het trainingseffect weer verdwenen!

Snel / langzaam lopen.Wandelen op de Eifelsteig
Het is belangrijk om te weten dat een snelle loper wel langzamer kan gaan lopen, maar dat een van nature langzame loper niet sneller kan lopen!
Een snelle loper die zegt dat hij/zij niet langzamer kan gaan lopen bedoelt te zeggen dat hij/zij dat niet wil!

Binnen ieder groepje waarin gelopen wordt zullen tempoverschillen zijn.
De snellere wandelaars moeten zich realiseren dat, als ze altijd voorop of vooruit lopen, ze degenen die niet zo snel zijn het gevoel kunnen geven dat ze ‘opgejaagd’ worden.
Als je als snellere wandelaar altijd voorop of vooruit loopt, ontneem je een langzamere wandelaar daarmee ook de mogelijkheid om eens voorop te lopen!
Als je als snellere wandelaar altijd voorop of vooruit loopt ontneem je je zelf de kans om iemand die langzamer loopt of die het moeilijk heeft (bij een steil of glad stuk bijvoorbeeld) een helpende hand toe te steken. Het is maar de vraag hoe (a)sociaal je dat zelf vindt.

Vind je het lastig om langzamer te lopen? Wacht dan een paar minuten, laat de anderen doorlopen en kom er dan achteraan. Simpel.

LOOPTECHNIEK

Hoewel ieder mens kan lopen, zijn er over de techniek van hoe je loopt wel degelijk een aantal opmerkingen te maken.

Vlak lopen.
Dit doet iedereen zoals hij/zij dit doet. Ook al zou je theoretisch beter of makkelijker kunnen lopen, je manier van lopen verander je niet zo maar.

Klimmen en dalen.
Zodra er geklommen of gedaald gaat worden komen tempoverschillen tussen wandelaars naar voren. Laat je bij klimmen en dalen niet opjagen door anderen die dat sneller doen!
Een tempo dat je lang kunt volhouden is over het algemeen dat tempo waarbij je nog met iemand anders kunt blijven praten. Raak je buiten adem, dan ga je te snel. Bij een wat langzamer tempo raak je minder vermoeid. Raak je buiten adem, dan zul je af en toe moeten stoppen om op adem te komen en daar raak je veel vermoeider van.

Als een pad steiler wordt en het daardoor glad kan worden (geldt zowel bij natheid als droogte) dan is het zaak om te voorkomen dat je naar achteren wegglijdt. Dat kun je voorkomen door zoveel mogelijk het profiel van je schoenen te gebruiken. Probeer zolang mogelijk met je hele voet af te zetten, waarbij de meeste druk op je hak ligt.
Ga dus niet op je tenen klimmen.

Hetzelfde geldt voor afdalen. Als een helling steil bergaf gaat gaan veel mensen naar achter hangen waardoor de kans groter wordt dat je voeten onder je wegglijden.
Probeer bij steile afdalingen ook zoveel mogelijk gebruik te maken van het profiel van je schoenen. Dat betekent juist met je bovenlichaam wat weg leunen van de helling, goed door je knieën en de druk op je volle voetzool en dus niet alleen op je hak. Als het echt steil is kun je zelfs proberen wat meer druk op je voorvoet te plaatsen.
Als het helemaal te steil of te glad wordt, dan zet je je voeten zijdelings op de helling, kijk je enigszins wanhopig om je heen en hoop je dat iemand die makkelijk daalt je een helpende hand toereikt!

Kleding aan/uit.
Klimmen is een inspannende bezigheid waarbij het lichaam veel warmte produceert. Heb je een jas of fleece aan dan begin je al snel te zweten. Ben je boven dan plof je bijkans van de warmte en trek je je jas en/of fleece uit.
Je bent dan inmiddels nat van het zweet en. . . ., als je nat bezweet in de wind komt krijg je het snel onaangenaam koud.
De moraal van het verhaal: als er een (lange) klim aankomt, trek dan kleren uit voordat je begint te klimmen en niet pas als je boven bent, voorkom dat je nat wordt van het zweet!